DE GEVALLENEN
Zij staan, wat zij misschien niet eens vermoeden,
in 't gastenboek van God, waarvan de kaft
onschendbaar bindt. Hier volgt ten overvloede
een In Memoriam van Van der Graft.
Heeft hij dit vers tot eigen eer geschreven,
of om zich schoon te wassen van een smaad?
Wat deed hij, toen de strijders nog in leven
waren en rechtuit vochten tegen 't kwaad?
Hield hij een Jood verborgen of geweren
of schreef hij in de ondergrondse pers?
Niets van dit alles en dit potverteren
na hun kleurloos verscheiden is pervers.
Kunstbroeders, die mijn gave lazen,
wat heb ik met mijn dichterschap gedaan?
Ik heb er fraaye bellen mee geblazen,
zij drijven nog ter hoogte van de maan.
Maar hier beneden, waar de felle laarzen
van het gespuis ketsten op het trottoir,
heb ik bij 't weke smelten van de kaarsen
de winter doorgebracht buiten gevaar.
Het is ook mijn schuld dat er Joden stierven,
Gods Naam heb ik belasterd metterdaad.
Ik rijmde op mijn eigen naam en hiervan
moest ik gekweld verslag doen vroeg of laat.
Guillaume van der Graft (1920)
uit: Verzamelde gedichten (1982)